Ethiek in het Antropoceen: hoe nemen we dieren serieus?

We leven in een paradoxale tijd. We leren steeds meer over de capaciteiten van niet-menselijke dieren, terwijl we ze tegelijkertijd al maar sterker in hun handelen en agency beknotten. Maar wat houdt agency, oftewel actorschap van dieren eigenlijk in? En wat betekent het om dit actorschap in deze tijd, die zo door de mens bepaald wordt, serieus te nemen in ethiek en politiek? Deze vragen zijn de drijfveren van ons recent gehonoreerde VIDI-project: Anthropocene Ethics. Taking animal agency seriously.

Dierethiek en de veranderende blik op dieren

De dierethiek is
in de jaren zeventig van de vorige eeuw ontstaan als reactie op
welzijnsproblemen van dieren in de intensieve veehouderij en het laboratorium.
Hierdoor zagen traditionele dierethici dieren eerder als passieve slachtoffers
van onze handelingen dan als actieve actoren met wie we een leefwereld delen,
en met wie we die leefwereld gezamenlijk vorm kunnen geven. De dierethiek die
wij ontwikkelen neemt dierlijk actorschap serieus en betrekt het perspectief
van dieren zelf bij beslissingen over de omgang met hen.

Dat is nodig omdat nieuwe ontwikkelingen in wetenschappelijk onderzoek naar dierlijke capaciteiten het scherpe onderscheid dat vaak gemaakt wordt tussen menselijke en niet-menselijke dieren in twijfel trekken. Eigenschappen die tot voor kort alleen aan mensen werden toegeschreven, zoals taal, moraliteit, een gevoel van rechtvaardigheid, altruïsme, cultuur en cognitie, worden steeds vaker ook bij andere diersoorten ontdekt. Het idee dat niet-menselijke dieren in essentie van mensen verschillen, in plaats van alleen gradueel, is hiermee op de schop gegaan en daarmee ook het aloude idee van menselijke uitzonderlijkheid en superioriteit.

Wat is agency eigenlijk?

Recent onderzoek laat
dus zien dat dieren op allerlei gebieden meer ‘agency’ hebben dan we dachten. Maar
wat verstaan we nou precies onder actorschap? In onze ogen hebben wezens die in
staat zijn tot zelfsturend gedrag en hun eigen wereld als ‘zelf’ – als subject
– ervaren actorschap. Zij oefenen met hun handelingen invloed uit op de wereld
om hen heen en doen dit uit eigen wil. Dit veronderstelt niet per definitie dat
zij intentioneel handelen, in de zin dat zij zouden moeten kunnen reflecteren
op hun eigen wil.

Neem het volgende
voorbeeld: een cavia ziet een wortel. Zij heeft de wens om de wortel te eten en
beweegt ernaartoe om hem te pakken. De cavia moet dan in zekere zin de intentie
hebben om de wortel te eten, maar hoeft niet te reflecteren op haar wens om de wortel
te eten voordat zij hem opeet.

Onze werkdefinitie van actorschap, die we in de loop van het project verder zullen uitwerken, is de mogelijkheid van een subject om de wereld om zich heen te beïnvloeden op een manier die haar wensen en wil uitdrukt. Deze definitie is inherent relationeel. Door de nadruk op het beïnvloeden van de wereld wordt een relatie tussen de actor en de wereld verondersteld. Ook is het belangrijk om ons te realiseren dat een wil en wensen niet in een vacuüm ontstaan – sociale relaties spelen hierin een belangrijke rol.

Actorschap in het Antropoceen

We leven momenteel in het Antropoceen, het tijdperk waarin mensen andere dieren en de natuur zo sterk beïnvloeden, beheren en controleren dat zij schadelijke en vaak onomkeerbare veranderingen aan ecosystemen en zelfs de hele biosfeer hebben aangebracht. Denk aan door de mens veroorzaakte klimaatverandering, de zesde massa-extinctie van soorten die we nu meemaken, de bosbranden in Brazilië en de huidige stikstof-crisis.

In het Antropoceen wordt het actorschap van dieren steeds meer beperkt.

In
het Antropoceen wordt het actorschap van dieren steeds meer beperkt. De meeste gewervelde dieren leven in
gevangenschap als productiedieren of huisdieren, waarbij ze de mogelijkheden om
hun leven zelf in te richten, zich te bewegen en hun eigen partner uit te
kiezen wordt ontnomen en soms zelfs hun genetische samenstelling door mensen wordt
bepaald. Gedomesticeerde dieren zoals koeien, varkens en kippen leven vaak in
een simpele, voorspelbare en monotone omgeving, waarin zij niet worden
uitgedaagd en hun actorschap niet gestimuleerd wordt.

Maar ook het actorschap van dieren in het wild wordt beperkt door habitatverlies en -fragmentatie, stadsuitbreiding en klimaatverandering. In feite vervagen door deze ontwikkelingen onderscheidingen zoals tussen wild en gedomesticeerd en we komen dan ook steeds meer tussencategorieën tegen. Dit zijn de door de bekende dierfilosofen Sue Donaldson en Will Kymlicka genoemde ‘liminale’ dieren: dieren die in de nabijheid van mensen leven maar niet noodzakelijkerwijze afhankelijk van hen zijn. Denk aan muizen en ratten in onze tuin en vossen in de stad. Het samenleven met deze dieren daagt tegelijkertijd ons actorschap uit. Hoe moeten we bijvoorbeeld reageren op mogelijk oncomfortabele ontmoetingen met deze stadsdieren?

Hoe moeten we bijvoorbeeld reageren op mogelijk oncomfortabele ontmoetingen met deze stadsdieren? 

De verkeerde vragen

Het serieus nemen
van dierlijk actorschap in ethiek en politiek is niet eenvoudig. Huidige
denkbeelden over dieren zijn gevormd door stereotype ideeën over hun
capaciteiten die vaak nog stammen uit het behaviorisme, een manier van
dieronderzoek die hun mentale toestanden als zwarte dozen beschouwt. Als we bij
voorbaat geloven dat we door het bestuderen van diergedrag of interactie met
dieren niets te weten kunnen komen over wat zich afspeelt in hun hersens zal het
lastig worden om actorschap überhaupt te herkennen.

Vragen die gesteld worden in dieronderzoek, bij het samenleven met dieren en in de dierfilosofie, bepalen namelijk voor een groot deel de antwoorden die dieren kunnen geven. Als we bijvoorbeeld willen onderzoeken of bepaalde dieren bewuste keuzen kunnen maken, is dit lastig wanneer deze dieren in een omgeving worden gehouden waarin nauwelijks keuzen te maken zijn.

Relationeel en praktisch

Om recht te doen
aan dierlijk actorschap in onze morele overwegingen, willen we een relationeel
model van ethiek ontwikkelen. Dit neemt de perspectieven van dieren mee, maar
ook de sociaal-historische context waarin relaties tussen mensen en dieren zijn
ontstaan.

In het project
doen we niet alleen filosofisch onderzoek. We zullen ook empirisch onderzoek verrichten
naar hoe er in de praktijk over dierlijk actorschap gedacht wordt door mensen
die veel met dieren te maken hebben (zoals boeren en dierentuinmedewerkers).
Ook gaan we mens-dier interacties in het veld, zoals in stadsparken, observeren
vanuit een zogenaamde ‘meersoortenbenadering’. Dat houdt in dat we niet alleen kijken
naar hoe de betrokken mensen actorschap interpreteren, maar ook naar de
reacties en handelingen van dieren.

Communicatie tussen mensen en dieren is mogelijk en bestaat al, maar wij moeten beter leren om dit te duiden. Ook moeten we de perspectieven van dieren op de gemeenschappelijke wereld serieus nemen. Alleen op die manier kunnen we onze relaties met dieren in het Antropoceen verbeteren.

Verder lezen

Sue Donaldson en
Will Kymlicka (2011). Zoopolis. A
Political Theory of Animal Rights. Oxford: Oxford University Press

Vinciane Despret
(2016). What would animals say if we asked the right questions? Minneapolis:
University of Minnesota Press

Eva Meijer (2019).
When Animals Speak. New York: New York University Press.

Frans de Waal
(2016). Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? Amsterdam: Atlas
Contact