Het welzijn van filosofie-promovendi: schokkende cijfers en levendige discussies

Door: Yvette Drissen, PhD Researcher Tilburg University

Maar liefst 88 van de 250 benaderde filosofie-promovendi in Nederland hebben deelgenomen aan de nationale Philosophy PhD Wellbeing Survey. Dit is een initiatief van het OZSW PhD Council in samenwerking met postdoctoraal onderzoeker Els van Rooij, expert in welzijnsonderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen. De voorlopige resultaten liegen er niet om. 58% van de promovendi loopt een serieus risico een psychiatrische stoornis (zoals een depressie) te ontwikkelen. Dit bracht een levendige paneldiscussie op gang tijdens de jaarlijkse OZSW-conferentie, welke plaatsvond in Amsterdam. Eén ding is duidelijk; het is tijd voor actie.

58% van de filosofie PhD’s loopt risico een psychiatrische stoornis (zoals depressie) te ontwikkelen.

Mentale gezondheid

Reinder Broekstra, van Promovendi Netwerk Nederland (PNN), is bezorgd. Dat 58% van de respondenten risico loopt om een psychiatrische stoornis te ontwikkelen houdt in dat het merendeel last heeft van mentale gezondheidssymptomen die met het dagelijks leven interfereren – zoals gemeten met de General Health Questionnaire.* Dit is een verontrustend resultaat en zou iedereen aan moeten gaan, vertelt Broekstra. De symptomen die het vaakst voorkomen: een constant gespannen gevoel (57%); moeite met concentreren (56%); niet kunnen genieten van dagelijkse activiteiten (51%); verlies van zelfvertrouwen (48%) en slaapproblemen door zorgen (48%).

In 2017 werd er in Leiden een vergelijkbare studie uitgevoerd onder promovendi in het algemeen. Daar bleek 38% van de ondervraagden een verhoogd risico te hebben op mentale problemen, een percentage dat een stuk lager uitvalt dan het resultaat van het huidige onderzoek. Hoogleraar filosofie Maureen Sie, voorzitter van het bestuur van de OZSW, vindt de cijfers ook onthutsend. Al kan ze zich wel voorstellen dat een promovendus in de filosofie nog wat meer risico loopt op mentale gezondheidsproblemen dan andere promovendi. Filosofie draait om het in twijfel trekken van zaken die je als vanzelfsprekend beschouwt. Dat kan gemakkelijk uitmonden in twijfel over jezelf en over je werk. Daarnaast schrijven filosofen vaak over een onderwerp dat ze na aan het hart ligt, waardoor het, ook als promovendus, lastiger is om afstand te nemen van dat eigen onderzoek. Wetenschapsjournaliste Ingeborg van der Ven, betrokken bij de vergelijkbare studie die in Leiden, benadrukt ook dat het belangrijk om een goede balans te bewaren tussen onderzoekstijd en tijd voor andere dingen.

Supervisie en steun

De hoge kans op mentale gezondheidsproblemen lijkt niet aan de supervisie te liggen. De respondenten zijn bijzonder positief over de relatie met hun supervisor: 87% gaf aan dat de relatie met hun dagelijkse supervisor goed of heel goed is, 77% vond dat van hun primaire supervisor. Bovendien zou 64% (eventuele) mentale gezondheidsproblemen met hun dagelijkse supervisor bespreken en 42% met hun primaire supervisor. Sie geeft aan dat supervisie voor een groot deel ook ‘supercoaching’ is. Je coacht promovendi om op hun eigen kwaliteiten te vertrouwen en hun eigen werk te kunnen beoordelen.

87% van de promovendi geeft aan dat de relatie met hun dagelijkse supervisor goed of heel goed is.

Al hoeft er natuurlijk geen relatie te zijn tussen de supervisie (en de mate van tevredenheid hiermee) en de gezondheid, waarschuwt Van der Ven. In de studie die zij en haar collega’s in 2017 in Leiden uitvoerden, vonden zij geen correlatie tussen leiderschap van een supervisor en de mentale gezondheid van de promovendus (Van der Weijden et al., 2017).

Van de filosofie-promovendi die deelnamen aan het huidige onderzoek vond 82% dat universiteiten een psycholoog gespecialiseerd in PhD-gerelateerde problemen in dienst zouden moeten nemen. Van de respondenten gaf 31% aan ‘misschien’ en 62% ‘zeker’, naar deze psycholoog te gaan, mochten ze problemen ervaren.

Carrière

Veel filosofie-promovendi zijn bezorgd over hun toekomstperspectief: 83% maakt zich soms, vaak of altijd druk om hun carrière (50% zelfs vaak of altijd). De meest genoemde reden voor deze zorgen is de fikse competitie voor banen (55% benoemt dit). Een grote groep (41%) streeft waarschijnlijk of zeker naar een carrière binnen de academische wereld. Maar 43% van de promovendi is onzeker of ze wel goed genoeg zullen zijn voor de baan die ze willen en 35% maakt zich zorgen of ze de juiste work-life balans zullen vinden in hun toekomstige baan.

In de academische wereld is de competitie op ieder niveau erg bruut.

Filosoof Carlo Ierna, actief voor WO in Actie, onderschrijft dit pessimistisch beeld. Hij vertelt dat de competitie op ieder niveau erg bruut is. Wat is de beloning voor de weinigen die wél een positie bemachtigen na hun PhD? Een academische carrière blijft onzeker; het duurt gemiddeld tien jaar voordat je een vaste aanstelling krijgt. Bovendien zijn degenen in hogere posities ook allemaal in competitie met elkaar. We zouden dit eerlijker moeten communiceren naar toekomstige filosofie-promovendi, zodat ze weten waar ze aan beginnen, stelt Ierna.

Tegelijkertijd heeft de onduidelijkheid over de wijze waarop academisch werk gewaardeerd wordt consequenties voor het vertrouwen van promovendi in de toekomst. Reinder Broekstra ziet dat jonge wetenschappers heel goed zijn in onderzoek, maar niet goed weten wat dit verder voor hun carrière kan betekenen. Onderzoeksvaardigheden zijn niet genoeg; conferenties bezoeken, publiceren en onderwijs geven lijken ook een must. Het is alleen lastig om álles te doen. Volgens Sie is het jammer en zorgwekkend dat deze rat race steeds sterker aanwezig is onder promovendi. De vier jaar van een doctoraat zou juist de tijd moeten zijn waarin jonge onderzoekers de vrijheid hebben om hun passies te ontdekken en gedachten te ontwikkelen, zonder zich zorgen te hoeven maken over hun publicaties. Van der Ven en Broekstra reageren dat het ook belangrijk is om vaardigheden te ontwikkelen die buiten de academische wereld toepasbaar zijn. Er zijn namelijk veel andere carrièrepaden die je met een doctoraat kan bewandelen.

Hoe nu verder?

De discussie over de waardering van wetenschappelijk werk die VSNU net geïnitieerd heeft, kan ook vertaald worden in een open discussie over de situatie van beginnende wetenschappers. De resultaten bevestigen dat een groot deel van de filosofie-promovendi een grote mate van stress ervaren; en dat is een probleem dat iedereen in de academische wereld aangaat. Naast dat het promovendi gegund is om zich beter te voelen over hun werk, zullen de zorgen die ze ervaren hun onderzoek (inhoudelijk) ook niet ten goede komen. Laat dit onderzoek een duwtje in de goede richting zijn. Het wordt tijd om er iets aan te doen.

* Om het welzijn van de PhD’s te meten werd het General Health Questionnaire (GHQ-12, Goldberg, 1972, in Levecque et al., 2017) gebruikt, omdat dit instrument ook al gebruikt is voor eerdere studies naar de mentale gezondheid van PhD’s in Vlaanderen en Nederland (Levecque et al., 2017; Van der Weijden, 2017). Daarnaast is dit een gevalideerd screeningsinstrument dat vaak gebruikt wordt in onderzoek. De GHQ-12 bestaat uit 12 mentale gezondheidssymptomen. Deelnemers geven aan in hoeverre ze deze symptomen ervaren hebben in de afgelopen twee weken. De antwoordcategorieën zijn ‘not at all’, ‘not more than usual’, ‘somewhat more than usual’ en ‘a lot more than usual’. Als een deelnemer het symptoom niet of niet meer dan gewoonlijk ervaart, dan is de score 0. Als het symptoom wordt ervaren, dan is de score 1. In de literatuur, GHQ2+ (ervaart twee of meer symptomen) en GHQ4+ (ervaart vier of meer symptomen) worden het vaakst gebruikt om mentale gezondheidsproblemen te beschrijven. De eerste wordt gezien als een signaal van mentaal leed, terwijl de laatste wordt gezien als een serieuze indicatie dat iemand het risico loopt om een mentale stoornis (zoals depressie) te ontwikkelen. Uit het onderzoek blijkt dat 58% van de deelnemers vier of meer dan vier symptomen ervaren, dat wil zeggen, dat ze een verhoogd risico lopen een mentale stoornis te ontwikkelen.

Levecque, K., Anseel, F., De Beuckelaer, A., Van der Heyden, J. & Gisle, L. (2017). Work organization and mental health problems in PhD students. Research Policy, 46, 868-879.

Van der Weijden, I. et al. (2017). The mental wellbeing of Leiden University PhD candidates. CWTS Policy Report. Retrieved from file:///C:/Users/MWPuser/Downloads/mental_health_Leiden_University_PhD_candidates.pdf.